Afgelopen week deed ik een sociaal experiment. Eigenlijk was het niet de bedoeling, maar het ontstond en ik kon het niet negeren.

In een poging meer aan lichaamsbeweging te doen, bedacht ik om ’s morgens te wandelen. Ik woon aan de rand van een natuurgebied dus echt een reden om het niet te doen heb ik niet. En zo toog ik op maandagochtend, mijn voeten gestoken in badass wandelschoenen, door de modder naar het centraal gelegen meer.

In de eerste instantie lijkt het een minder goed idee dat ik boven de schoenen enkel een dikke zwarte panty en een rokje aanheb. De kou langs mijn benen doen mij denken aan een dompelbad na een heet saunabezoek.

Uitkijkend over het water spoelt er een gelukzalig gevoel over mij heen, er zijn helemaal geen mensen. De hele weg erheen was ik ook al niemand tegengekomen.

Tot er om de hoek een vrouw op een mountainbike aan komt scheuren.

‘Goedemorgen.’

‘Goedemorgen.’

Ze verdwijnt achter mij. Ik werp nog een blik op het meer en bedenk me dat deze ene toevallige ontmoeting niets afdoet aan mijn gelukzalige gevoel.

Wanneer ik mij omdraai zie ik dat de vrouw is afgestapt, ze heeft haar jas uitgetrokken en vervangen voor een dunner fietsjasje. In alle rust trekt ze het hemd dat ze eronder aan heeft, naar beneden. Ze glijdt met haar handen in haar legging om het hemdje lekker strak te trekken. Ze aait haar billen bij deze handeling. Mooie ronde billen.

Ik loop langs haar, kijk haar aan. Ze kijkt terug. We lachen naar elkaar. Op de terugweg naar huis bedenk ik dat het grappig zou zijn als ik haar iedere ochtend hier tegen zou komen. Tegelijkertijd vraag ik mij af hoe lang het in dat geval duurt voordat we meer zeggen dan goedemorgen. Na drie ontmoetingen gok ik.

Op de terugweg word ik afgeleid van deze gedachten door jonge jongens die in het veld luid staan mee te zingen met de radio terwijl ze de kolen van de velden rapen.

Thuis trek ik mijn jas uit en kom erachter dat mijn rokje door de flinke pas volledig omhoog geschoven is. De aanzet van mijn bil komt net onder mijn rokje vandaan. Ik denk terug aan de billen van de onbekende vrouw. Dit kon ik niet negeren. Een onmiskenbaar teken. Vrouwen die elkaar hun billen tonen, moeten iets met elkaar.

En zo loop ik dinsdagochtend hetzelfde stuk naar het meer. Dit keer had ik een broek aan. Bij het meer duurt het langer voordat ze de hoek om komt scheuren.

Ze lacht.

Ik lach terug.

Op woensdag verloopt onze ontmoeting op exact dezelfde manier. De derde ontmoeting is een feit. Vanaf morgen moet het feest der conversatie op gang komen.

Inmiddels heb ik in mijn hoofd al hele gesprekken met haar. Ze heeft een drukke stressvolle baan, deze momenten in de ochtend zijn voor haar rustpuntjes voor ze achter haar bureau gaat zitten en ze vanaf daar een megalomaan bedrijf aanstuurt.

Op donderdagochtend loop ik iets minder hard. Ik wil niet buiten adem zijn wanneer ze me aanspreekt en meteen bij de eerste zinnen al beginnen met hyperventileren.

De modderigheid op de paden lijkt sinds maandag behoorlijk te zijn toegenomen. Ook bij het meer is het net alsof er een tractor langsgereden is waardoor er diepe moddersporen te zien zijn.

Mijn telefoon geeft aan dat het 9:07 is. Ik ben 7 minuten later dan dat ik de rest van de week was. Ik wacht tot het 9:14 is en accepteer dat ik haar ben misgelopen. Zou deze onderbreking ervoor zorgen dat de telling weer opnieuw begint?

De dag gaat voorbij zoals alle andere dagen die week. Vrijdagochtend besluit ik voor de laatste keer deze route te nemen. Daarna afkicken. Sommige experimenten mislukken ook wel eens.

Het miezert. De haren op mijn armen staan voortdurend stijf omhoog. Mijn haar hangt in slierten langs mijn gezicht. Ik stel mij voor dat ik ook boos kijk. Zeker weten doe ik het niet. Misschien kijk ik wel zielig. Zonder het experiment was ik absoluut thuisgebleven deze ochtend. Mijn voeten glijden voordurend onder me vandaan.

Skiën in de modder.

Om negen uur kom ik aanlopen op ‘onze’ plek.

Ze is er al. Ze staat met haar rug naar me toe.

Zal ik haar aanspreken? De gedachten alleen al is voldoende om me te realiseren dat het experiment gelukt is.

Zonder te laten merken dat ik haar gezien heb, draai ik me om en loop ik het pad af terug naar huis. Om de ergste modder te omzeilen, stap ik op een kei en glijd met mijn wandelschoen, die onder de modder zit, uit. Ik kan me niet goed meer herinneren of ik gil of niet. Ik denk het wel. Met een klap val ik met mijn rechterbeen in de modder. Wat verassend zacht aanvoelt.

‘Gaat het? Gaat het?’ Hoor ik achter mij.

Het liefst zou ik opgegeten willen worden door de modder.

Ik kijk haar aan.

Ze kijkt terug.

We lachen naar elkaar.

Delen:
457

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.