Leestijd: 8 minuten.

De noodzaak zich te afzonderen, zich terug te trekken uit de normale wereld, te vluchten in het lome gevoel van zijn zelf gecreëerde omgeving, de stemmen van anderen naar de achtergrond te laten verdwijnen, had een grote urgentie gekregen de laatste tijd.

Wanneer hij de rook inhaleerde, was het alsof hij een koptelefoon opzette en hij haar dunne stem hoorde. Alsof ze naast hem stond en in zijn oor fluisterde. De stem trok een grijs rokerig gordijn op waardoor hij haar weer echt kon zien. Zonder filter. Helder verscheen ze voor hem, een lichtrandje om haar contouren. Haar ogen geloken, haar lippen iets van elkaar. Alleen nu kon hij naar haar kijken zonder halsoverkop op zijn fiets te springen en naar haar toe te gaan. Zijn zware en lome ledematen hielden hem op de bank. Liggend op zijn rug. Starend naar het plafond. De bruine randjes die het einde van de muur markeerde, de hoeken waar zijn uitgeblazen rook ging zitten.

De teksten die ze had gezongen zweefde in willekeurig volgorde door zijn hoofd, kregen een betekenis die ze er zelf wellicht nooit aan gegeven had. Wat zong ook al weer:

 

Ik wil gewoon die vrouw zijn

de vrouw zijn

die maakt dat ik me voel

 

ben zo graag

zo heel graag wat jij in mij ziet

en ik ben blij dat je het zien laat

want zo zag ik mezelf niet.

Hij liet zich meevoeren op de cadans van de woorden en bevond zich plotseling in een veld met wilde bloemen. Verderop lag een meertje waar ze met haar voeten in het water zat, met haar rug naar hem toe. Hij wilde naar haar toelopen, haar vasthouden, maar de wortels van de bloemen groeide rond zijn enkels. Hoe hij er ook aan trok ze gaven niet mee. De stengels sneden in zijn vlees en reikte tot zijn knieën.

Hij moest in slaap gevallen zijn want hij schrok van een stem die zwaar zijn bewustzijn binnendrong.

‘Maartje, word eens wakker. We zouden een spelletje spelen toch?’

‘Ja, ik kom eraan.’

Van wie waren die stemmen? Om zich heen zag hij niemand. De bloemen in het veld waren bruin geworden en hingen slap omlaag. Roos was in de verte opgelost, er hing enkel nog een grijze waas daar waar ze eerder had gezeten.

‘Maartje, doe je ogen eens open.’

Zijn oogleden kleefde aan elkaar, door de spleetjes zag hij veel zwart haar, het gezicht in het midden leek op een wasbeer. Nathalie.

‘Ik heb het bord al klaargezet. En je kent de regels hè? Twee uur geen gitaar of piano. Een ouderwets gezellige middag met spelletjes en gesprekken.’ Sinds haar spoedopname was gezelligheid de nieuwe cocaïne. Hij kon haar daarna niet in de steek laten. Afkicken was een langdurig en precair proces. Als haar iets zou zijn overkomen die nacht dan was hij er mede verantwoordelijk voor.

Bij het overeind komen wierp hij zijn benen van bank en wachtte tot de beweging in zijn hoofd ophield.

‘Jij bent groen en in ben rood.’
Even dacht hij dat ze Roos zei.

‘Gezellig hè?’
Maarten antwoorden niet, hij liet zich van de bank glijden om tegenover haar aan de lage tafel te gaan zitten.

‘Waar lag je aan te denken Maartje?’

‘Ik dacht niet, ik sliep.’

‘Droom jij niet als je slaapt?’

‘Nee.’

‘Ik droomde vannacht dat we een duet zongen. Dat liedje dat je zong op de finale van Kunst in uitvoering, deden we samen. Hoe ging dat ook alweer?’

‘De regels waren toch twee uur geen muziek.’

‘Jezus Maarten! Ik probeer gewoon een gesprek met je voeren, wat is er eigenlijk mis met je.’

Ze gooide de dobbelstenen zo hard over tafel dat ze er telkens afrolden. Ook haar rode pionnetje werd met kracht het aantal ogen vooruit op het bord gezet. Toen ze uiteindelijk het groene pionnetje van Maarten kon verslaan, sloeg ze er zo hard tegenaan dat hij door de kamer suisde.

Gezellig hè, dacht hij en hij leunde achterover om zijn ogen te sluiten. Het veld was veranderd in een sneeuwvlakte, het meertje was bevroren. De stilte, de rust. Zelfs als ze er niet was, wilde hij zich erin wentelen. Het maakte ook niet uit, de bloemen zouden sterker geuren en kleuriger zijn dan ooit tevoren wanneer ze onder de witte deken vandaan kwamen.

Een warme adem in zijn gezicht. Nathalie was naar hem toe komen kruipen. Het rode pionnetje op het puntje van haar tong, dansend voor zijn ogen. Ze keek er scheel bij en bijna moest hij lachen.

Ze legde haar hoofd op zijn schoot en drapeerde haar lichaam naast hem op de grond. Van alle kanten bekeek ze het pionnetje.

‘Weet je Maarten, ik doe echt mijn best…’

‘Het ligt niet aan jou, Naat,’ onderbrak hij haar.

‘Waar ligt het dan wel aan? Praat met me. Vertel me wat je bezighoudt. Waarom ben je zo in jezelf gekeerd?’

Stilte.

Met een ruk stond ze op. ‘Ga anders maar weer piano spelen. Dat irritante deuntje dat je al weken speelt, maar waar je geen tekst op lijkt te kunnen verzinnen.’ En ze liep de kamer uit. Met een zucht stond hij zelf ook op en liep achter haar aan de slaapkamer in. Ze zat op het randje van het bed met haar rug naar hem toe. Haar strakke zwarte jurkje met witte stippen viel uit de toon bij het onopgemaakte bed waar alleen zij de afgelopen nachten in had geslapen.

‘Als je wilt dat ik ga, moet je het gewoon zeggen. Dan ga ik.’
Hij liep om het bed heen en bleef voor haar staan. Met ogen als die van een verzopen kat staarde ze hem aan. Wachtend op het verlossende antwoord.

Hij boog zich over haar heen, trok de rits van haar jurk omlaag en haakte haar bh los. De bandjes gleden van haar schouders, haar ogen kregen iets van de donkere glans terug die hij zo goed van haar kende. Op het moment dat hij haar borst zacht aanraakte, knoopte ze zijn broek los en likte en zoog net zolang tot ze hem in de stand had die ze wilde. Nu was het zaak zijn kop erbij te houden. Geen afleidingen meer. Hij had het goed voor elkaar. Als een mantra bleef hij het herhalen: Ik heb het goed voor elkaar, ik heb het goed voor elkaar.

Terwijl hij op haar lag, dwong hij zichzelf naar haar te kijken en enkel haar te zien. Grote bruine ogen, zwart haar dat uitgewaaierd op het kussens lag. Roerloos alsof het haar adem inhield. Nathalie ademde zwaar en onregelmatig.

Ik heb het goed voor elkaar, ik heb het goed voor elkaar.

‘Maartje, rustig aan, ik wil nog niet komen.’
In de rust die ontstond, stond hij het zichzelf toe zijn ogen heel even dicht te doen.

Half geloken ogen, lippen iets van elkaar.

Drie keer stootte hij hard in haar en voelde haar lichaam schokken waarnaar hij zich leeg voelde lopen. Hij rolde van haar af en ging met zijn rug naar haar toe liggen. Nathalie kroop dicht tegen hem aan, legde haar hand net onder zijn buik. Haar favoriete plekje. Ze kuste hem op zijn schouders en in zijn nek, speelde met zijn haartjes.

‘Dat was lang geleden Maartje. Ik was bijna vergeten hoe lekker je bent. Slaap je vannacht weer bij me?’

Hij maakte een instemmend geluid, stond op en trok een onderbroek aan.

‘Kom, dan maken we ons spelletje af,’ zei hij.

Het spelbord lag op ze te wachten, de pionnetjes waren niet uit het gelid gesprongen, danste niet op tafel. Er ontbrak er alleen een.

‘Wat wordt het Maartje, winnen of verliezen?’ Met het pionnetje als mascotte in haar hand, gehuld in een T-shirt van hem, blote benen, kwam ze de kamer inlopen.

Hij lachte. Winnen of verliezen. Een thema dat ze bleef achtervolgen.
Soepel zakte ze door haar knieën en nam weer plaats aan haar kant van de tafel. Hij gooide de dobbelstenen op tafel. Twee keer twee. Terwijl hij zijn pionnetje vooruit zette, zag hij vanuit zijn ooghoek dat ze met nog steeds met het pionnetje zat te spelen. Zo zou zij winnen, dat is haar strategie. Die kende hij heel goed van haar. Wat had ze ook alweer gezegd die avond. ‘Kom Maartje, Roos is al naar huis, ze is duidelijk geweest toch? Ze ziet geen toekomst met jou.’ Waarop ze zich had uitgekleed en dansend zich tegen hem had aangevleid. Net wanneer hij haar streelde, zag hij Roos in de deuropening staan. Dingen gaan zoals ze gaan. Soms win je terwijl je vals speelt, soms verlies je wanneer je erg je best doet.

Nathalie was aan de beurt. In plaats van de dobbelstenen te gooien, speelde ze met haar tong met het rode pionnetje.

‘Zullen we anders nog even naar de slaapkamer gaan Maartje?’

Haar tong draaide cirkeltjes om het pionnetje heen, af en toe zag Maarten hem volledig verdwijnen in haar mond. Ze had hard op hem gezogen. Harder dan normaal. De gedachte eraan deed niets met hem. Misschien moest hij ermee stoppen. Een terugkerende gedachten. De vorige keer belanden ze in het ziekenhuis, zou ze al sterk genoeg zijn?

Nathalie had haar pink in het pionnetje gestoken en liet haar lippen over de kop glijden tot hij helemaal in haar mond verdween. Tot haar hand gleed de pink haar mond in en aan de houding van haar lippen was te zien dat eraan zoog. Geen vrouw was er zo bedreven in als zij. Was dat een reden om te blijven? Nee. Door haar voelde hij zich incompetent. Eerder een reden om te gaan.

Nog een keer zoog ze hard aan haar pink. Gesloten ogen.

Wat er daarna gebeurde wist hij niet, maar haar ogen schoten open en ze greep naar haar keel. Deze act kende hij niet van haar. Wat ze hiermee duidelijk probeerde te maken ook niet. Gek genoeg voelde hij nu wel opwinding, maar niet een gevoel dat hem bekend voorkwam. Pas toen ze geluid probeerde te maken en dit niet lukte, ze wild om zich heen zwaaide met haar armen, begreep hij wat hij moest doen.

Hij sloeg op haar rug, greep haar van achteren vast en duwde zijn vuist hard op de plek waar hij haar maag vermoedde. Onder zijn armen werd ze slap. Als Scharnulleke hing ze in zijn armen.

112

Eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig.

Pas in de ambulance was hij zich bewust van zijn ontblote bovenlijf. De chauffeur vroeg wat voor werk hij deed, zei dat het een mooie dag was vandaag, dat het rustig was op de weg. Ondertussen zette hij de sirene aan, scheurde door alle rode stoplichten en drukte iedereen van de weg.

Wat was er gebeurd?

Achter zich hoorde hij niets. Geen gerustellende praatjes.

Hij keek naar zijn blote voeten. Winnen of verliezen, Maartje.

Nog voor de ambulance tot stilstand was gekomen, sprong Maarten eruit.

Een infuus, bloed, een snee in haar hals. Het begon weer van voren af aan.

‘Neemt u hier maar plaats meneer Koning. Als u wilt kunt u koffie uit de automaat halen.’

Kippenvel, stijve tepels. De haren op zijn tenen stonden ook recht overeind.

‘Wat is er gebeurd?’ Een man tegenover hem, met zijn arm in een mitella leek uit het niets verschenen.

Maarten haalde zijn schouders op. Gelukkig was het geen overdosis dit keer. Al zullen de gevolgen evengoed hetzelfde zijn. De woorden waren toen luid en duidelijk. Kwetsbare periode, liever blijft ze niet alleen. Is er iemand die voor haar kan zorgen? Ja, had hij gezegd. Ja, zou hij ook nu zeggen.

‘Meneer Koning, kunt u even meelopen.’

Zijn blote voeten klonken als zuignappen op de linoleumvloer. Het geluid stond in schril contrast met het regelmatig tikken van de witte klompen.

‘Meneer Koning, kunt u uitleggen wat er precies is gebeurd?’

‘We speelden een spelletje.’ Verder kwam hij niet.

‘Ik zal het u maar meteen vertellen: ze is overleden. Het is ons niet gelukt het object uit haar luchtpijp te halen.’

Overleden?

‘Kunt u ons in contact brengen met haar familie?’

‘Ze heeft geen familie. Ik ben alleen.’

‘Is er iemand die we kunnen bellen voor u?’

‘Ik ben alleen,’ herhaalde hij.

Delen:
457

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.